Prof. dr. Gerardus Joannes Legebeke

Gerardus Joannes (Gerrit-Jan) Legebeke geboren 1 april 1847 op Schokland, zijn vader Arnoldus Legebeke was van beroep hoofdonderwijzer (ook op Schokland). Hij was het broertje van Willem Albert Lodewijk Legebeke. De eerste jaren bracht hij door op Schokland. Vanwege de slechte leefomstandigheden op Schokland is hij met zijn familie (en alle andere bewoners van Schokland) in 1859 vertrokken naar Kampen. Eenmaal daar kon hij naar een school gaan die meer uitgebreid lager onderwijs aanbood.

In 1865 volgde hij wis-, natuur-, en scheikunde vakken aan de Hoogere Burgerschool te Deventer, daarnaast was hij ook in Deventer in dienst getreden als hulponderwijzer. Na het behalen van de akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de wiskunde in 1867 ging hij aan het werk als leraar aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Roermond, en later in 's-Hertogenbosch. Zijn vrije tijd besteed hij aan het studeren, waardoor hij (nagenoeg geheel zonder hulp) de verschillende academische examens kon voorbereiden die uiteindelijk resulteerde in een doctorandus in de wis- en natuurkunde. Met dit op zak ging hij in 1878 als leraar aan het werk aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Utrecht. Op 13 juni 1879 promoveerde hij tot doctor in de wis- en natuurkunde, na het verdedigen van zijn proefschrift getiteld: Over de functie van Green. In 1880 werd hij lid van het provinciaal genootschap van kunsten en wetenschappen te Utrecht.

In september 1881 is hij naar Delft vertrokken om aan de Polytechnische school de Wiskunde lessen over te nemen van de ongesteld geworden prof. Schols. Hij werd op 23 februari 1882 benoemd als hoogleraar, dit verbond hem voor goed aan deze school. Naast het geven van een deel van het onderwijs in de (analyse) wiskunde kreeg hij na het eervol ontslag van de prof. dr. G.F.W. Baehr de onderwerpen theoretische en toegepaste mechanica erbij. Men was vol lof over Gerrit Jan, hij stond dan ook bekend als uitstekend docent die goed en duidelijk zijn kennis over kon brengen op anderen. Door zijn kennis was hij ook een vraagbaak voor allen.

Maar naast het hoogleraarschap was hij ook actief en bekend op andere gebieden. Zo was hij in 1882 verbonden als wiskundig adviseur van de toen juist opgerichte Eerste Nederlandsche Verzekeringsmaatschappij op het leven, tegen invaliditeit en ongelukken te 's Gravenhage. Door dit werk werd hij bekend met de verzekeringswereld. In 1890 kreeg werd hem de mogelijkheid aangeboden om directeur te worden van de verzekeringsmaatschappij, maar zijn ambtgenoten en leerlingen van de Polytechnische school drongen eenstemmig bij hem aan om de school getrouw te blijven. Hij is dan ook maar kort directeur geweest.

De opgebouwde verzekeringskennis leidde ertoe dat hij, prof. mr. W.L.P.A. Molengraaff en de heer J.L. Huisinga als secretaris werden aangesteld door de maatschappij tot Nut van 't Algemeen om onderzoek te doen naar de toestand en de werking van de begrafenis- en ziekenfondsen in Nederland. Dit rapport, wat alleen over de begrafenisfondsen ging, verscheen in 1891. Dit rapport liet een gedegen zaakkennis zien en verspreidde een volledig beeld over de begrafenisfondsen. Het goede werk resulteerde dan ook in een staatscommissie die in 1892 in het leven werd geroepen door minister Tak van Poortvliet. Deze staatscommissie hield zich bezig met de voorbereiding van de wettelijke regeling van begrafenisfondsen en soortgelijke instellingen, Gerrit Jan werd aangesteld als voorzitter. Hij heeft dan ook nog enkele vergaderingen als voorzitter mogen leiden. In 1893 werd hij benoemd als bestuurslid van het Rotterdamsche Sanatorium welke gelegen was op de westersingel. In zijn laatste jaren was hij ook nog betrokken als adviseur van het ministerie van Oorlog. Waar hij zich bezig hield met het pensioenfonds voor weduwen en wezen van de officieren van de landmacht. Al deze adviseurs posities zorgde ervoor dat hij vele adviezen heeft gegeven aan gemeentebesturen en particulieren bij het oprichten of hervormen van al opgerichte pensioenfondsen voor ambtenaren en werklieden, hun weduwen en wezen.

Naast al deze werkzaamheden hield hij ook nog tijd over om vice-voorzitter te zijn van de kiesvereniging "Burgerplicht" en hij was ook langere tijd bestuurslid van het Nutsdepartment en voorzitter der sociëteit "Standvastigheid" allen te Delft. Ook was hij lid consultant van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam.

Zijn kennis deelde hij ook met het publiek tijdens lezingen van het Rotterdamse Natuurkundig Genootschap. Zo hield hij op maandag 27 februari en 16 maart 1882 een tweedelige lezing over de spectraal analyse en hare toepassingen op de hemellichamen. Hij sprak op 10 december 1883 bij hetzelfde genootschap over de planeet Mars. Sinds 1 februari 1893 was hij verplicht om zijn lessen aan de Polytechnische school te stoppen, dit wegens gezondheidsproblemen. Dat zijn gezondheid achteruit ging was al enige jaren zichtbaar als een schijnbaar onbeduidende aangezichtsverlamming. Zo moest hij ook een ernstige hartoperatie te Leiden ondergaan in 1893.




Gerrit Jan, sinds 1892 ridder in de orde van de Nederlandsche Leeuw, overleed plotseling op donderdagavond 18 mei 1893 tijdens een vergadering van de Raad van Bestuur van de Polytechnische school aan een vernieuwde hartaanval. Deze man van "zeldzame scherpzinnigheid, groot doorzicht en ongewone bekwaamheid" is naast zijn broeders begraven op de begraafplaats Crooswijk te Rotterdam. De begrafenis was op 24 mei 1893, rond half negen in de ochtend vertrok de lijkstoet vanaf het sterfhuis te Delft. De lijkkist van Gerrit Jan was overdekt met palmtakken en kransen. Een grote menigte volgde en overal in de stad gaven de burgers blijk van belangstelling door eerbiedig de stoet af te wachten. De stoet hield stil voor de Polytechnische school, aldaar werd door prof. Henket een krans en door de Senaat van het corps nog een grote, prachtige krans op de kist gelegd. De professoren en de studenten, met hun vaandel voorop, begeleidden daarna de lijkstoet tot aan de gemeentegrens. De lijkkoets, gevolgd door enkele rijtuigen, vertrok toen richting Rotterdam en de professoren, studenten en tal van vrienden volgde per trein. Eenmaal te Rotterdam aangekomen gingen ze allemaal in gereedstaande rijtuigen naar de begraafplaats. De met bloemen bedekte lijkkoets kwam rond half twaalf aan op de begraafplaats, waar zich al een groot aantal vrienden en belangstellenden hadden verzameld. Er waren zeker een honderdvijftig tal studenten, die met een extra trein waren gekomen, aanwezig om de geliefde leraar de laatste eer te bewijzen. Nadat de kist ter aarde was gesteld nam prof. Henket eerst het woord en schetste de verdiensten van de overledene als mens en als hoogleraar. Daarna trad de rector van het Studentencorps naar voren en sprak over hoezeer prof. Legebeke bij zijn leerlingen geliefd was, niet alleen om zijn hooggewaardeerde colleges, maar ook om zijn onovertroffen humaniteit en de wijze, waarop hij hen steeds met raad en daad bijstond. Vervolgens herdacht mr. Goeman Borgesius de trouwe vriend, die hij gekend had in dagen van lief en in dagen van leed, in dagen van opgewekte levensmoed en in dagen van moeilijke strijd, en die hij altijd had bewonderd om zijn voortreffelijke hoedanigheden van verstand en hart. De bestuurder van de kiesvereniging "Burgerplicht" trad ook naar voren om zijn laatste vaarwel te zeggen en de jongeren te wijzen op het door prof. Legebeke gewezen voorbeeld. De aanwezigen werden door prof. dr. Zeeman en ook namens de enige aanwezige familielid bedankt. Diep geroerd verlieten velen de begraafplaats, in de overtuiging niet alleen een trouwe vriend, maar ook een van Neerlands beste zonen naar zijn laatste rustplaats gebracht te hebben. Dit aldus diverse krantenberichten.